Hoge Raad schudt slapende dienstverbanden wakker

Hoge Raad schudt slapende dienstverbanden wakker

Begin dit jaar schreef ik een blog over slapende dienstverbanden. Daarbij haalde ik al kort aan dat de aanstaande compensatieregeling voor de transitievergoeding na twee jaar ziekte een reden voor de rechter kan zijn om slapende dienstverbanden af te keuren. Zie “Dient het slapend dienstverband wakker geschud te worden?”. Afgelopen vrijdag heeft de hoogste rechter van ons land zich voor het eerst uitgesproken over deze slapende dienstverbanden. In dit blog bespreek ik het oordeel van de Hoge Raad en de gevolgen daarvan voor de praktijk.

De feiten

De rechtbank Limburg kreeg een zaak voor zich waarbij een werknemer slapend in dienst wordt gehouden door zijn werkgever. De werknemer ontvangt een IVA-uitkering, wat inhoudt dat hij 80 tot 100% duurzaam arbeidsongeschikt is. Dit ten gevolge van ernstige rugklachten. De werknemer verzocht zijn werkgever meerdere keren om het dienstverband te beëindigen onder betaling van de transitievergoeding. De werkgever weigerde dit. De werknemer stapte naar de rechter om alsnog zijn gelijk te halen.

Prejudiciële vragen

Dergelijke zaken spelen op dit moment veel, maar het is voor lagere rechters onduidelijk hoe zij met slapende dienstverbanden moeten omgaan. Daarom stelde de rechtbank een aantal (prejudiciële) vragen aan de Hoge Raad. De vragen die de rechtbank aan de Hoge Raad stelde, gingen over de vraag of, en zo ja onder welke omstandigheden een werkgever als ‘goed werkgever’ akkoord moet gaan met het voorstel van een werknemer om zijn slapend dienstverband te beëindigen onder betaling van een transitievergoeding.

Uitspraak Hoge Raad

Volgens de Hoge Raad houdt het goed werkgeverschap in dat de werkgever onder omstandigheden verplicht is in te stemmen met een voorstel van de werknemer tot beëindiging van het dienstverband, onder toekenning van een transitievergoeding. De rechter hecht hierbij veel waarde aan de komende compensatieregeling voor de transitievergoeding die wordt betaald aan een langdurig arbeidsongeschikte werknemer. De transitievergoeding die de werkgever aan de werknemer betaalt, moet minstens gelijk zijn aan de transitievergoeding zoals deze was na twee jaar ziekte. Dit is meestal ook het bedrag dat de werkgever van het UWV gecompenseerd krijgt.

De werkgever moet het voorstel van de werknemer tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst aanvaarden, indien hij geen redelijk belang heeft bij het laten voortduren van de arbeidsovereenkomst. Dit heeft tot gevolg dat een slapend dienstverband niet hoeft te worden beëindigd indien:

  • er reële re-integratiemogelijkheden bestaan voor de werknemer, waardoor de werkgever belang heeft bij het in dienst houden van de werknemer;
  • de werkgever andere belangen heeft bij het in dienst houden van de werknemer, anders dan de wens om de transitievergoeding niet te hoeven betalen.

Indien de werkgever bijvoorbeeld in ernstige financiële problemen komt door het (geruime tijd) voorfinancieren van de transitievergoeding, kan de rechter beslissen dat betaling aan de werknemer in termijnen plaatsvindt of wordt opgeschort tot na 1 april 2020. De omstandigheid dat een werknemer bijna AOW-gerechtigd is, is in ieder geval géén goede reden om het dienstverband slapend te houden.

En nu?

Als je een werknemer in dienst hebt die (bijna) langer dan twee jaar ziek is, en die werknemer verzoekt om beëindiging van zijn dienstverband tegen betaling van de wettelijke transitievergoeding, dan ben je op grond van de uitspraak van de Hoge Raad sneller gehouden om dit verzoek in te willigen. De arbeidsovereenkomst kan dan worden beëindigd met wederzijds goedvinden. Daarbij bestaat ruimte om onderling afwijkende afspraken te maken, bijvoorbeeld over de hoogte van de te betalen vergoeding en de termijn waarbinnen deze wordt betaald. Zo lijkt het erop dat je in ieder geval geen hogere vergoeding hoeft aan te bieden dan de transitievergoeding zoals deze was toen de werknemer precies twee jaar ziek was. Dit bedrag kun je in de meeste gevallen vanaf 1 april 2020 terugvragen bij het UWV. Een lagere vergoeding aanbieden mag ook. Mogelijk stemt de werknemer daarmee in, omdat hij zich de (negatieve) energie die een procedure bij de rechter meebrengt, wil besparen.

Als er een reëel uitzicht is op herstel en re-integratie van de werknemer, heb je wellicht een argument om het verzoek van de werknemer te weigeren. Dan bestaat dus wel een reëel risico dat de werknemer zal herstellen en zal eisen dat hij weer te werk wordt gesteld. Het is de vraag of dat gewenst is.

Wil je over dit onderwerp sparren of ben je op zoek naar meer informatie? Neem dan gerust contact op met onze juridische afdeling via het telefoonnummer: 0544-39 33 33.

Auteur

Silvia Hendriksen

Junior jurist BonsenReuling
Sinds 2018 werk ik als jurist bij BonsenReuling. Het biedt een goede combinatie om de theorie gelijk in de praktijk te brengen. Ondernemers adviseren op het gebied van onder meer het arbeidsrecht en ondernemingsrecht geeft voldoening. Ik verdiep mij in de ondernemer en de betreffende onderneming om zo tot een advies te komen die recht doet aan de betreffende situatie. Met enthousiasme probeer ik zo tot de beste oplossing te komen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *